Back

(Tele-)werk dat gelijktijdig binnen de EER wordt verricht: wat verandert er door het arrest Moguntia?

24/03/2026

International News

by Mehdi Warnier Julie Rousseau

Inleiding

De Europese regels voor het bepalen van de toepasselijke socialezekerheidswetgeving voor werknemers die activiteiten uitoefenen in meerdere lidstaten, kunnen complex zijn. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) wordt regelmatig gevraagd om de praktische toepassing van deze regels te verduidelijken. Met het arrest Moguntia / GKV‑Spitzenverband (C‑743/23) bevestigt het Hof dat alle beroepsactiviteiten in aanmerking moeten worden genomen – inclusief deze die buiten de Europese Unie worden verricht.

Dit arrest beperkt zich niet tot klassieke grensoverschrijdende situaties: het beïnvloedt ook de toepassing van het Europees Kaderakkoord inzake telewerk (2023), in het bijzonder zoals dit door de RSZ wordt geïnterpreteerd. Deze bijdrage geeft eerst de algemene principes weer, en bespreekt vervolgens de draagwijdte van het arrest en de praktische gevolgen ervan.

1. Algemene principes

De bepaling van de toepasselijke wetgeving is gebaseerd op Verordeningen (EG) nr. 883/2004 en 987/2009. Het basisprincipe blijft lex loci laboris: de werknemer is onderworpen aan de wetgeving van de staat waar hij werkt. De Verordeningen bevatten echter specifieke regels om te vermijden dat iemand binnen het kader van éénzelfde arbeidsrelatie aan meerdere socialezekerheidsstelsels onderworpen zou zijn.

In gevallen wanneer er activiteiten in verschillende lidstaten worden verricht, kan het daarbij gaan om detachering of gelijktijdige tewerkstelling. In dit artikel wordt enkel op gelijktijdige tewerkstelling ingegaan.

2. Gelijktijdige tewerkstelling: definitie en draagwijdte

Er is sprake van gelijktijdige tewerkstelling wanneer een werknemer “gewoonlijk” activiteiten uitvoert in minstens twee lidstaten. Dit omvat:

  • het afzonderlijk uitvoeren van activiteiten in verschillende staten, zelfs occasioneel;
  • het permanent afwisselend uitvoeren van activiteiten in meerdere staten.

Marginale activiteiten (< 5% van de arbeidstijd of het loon) worden buiten beschouwing gelaten.

Voorbeeld: een werknemer die in België woont, werkt:

  •  drie dagen per week van thuis uit in België (+/- 60%);
  • twee dagen per week op kantoor in Frankrijk (+/- 40%);
  • occasioneel in Luxemburg (enkele dagen per jaar, zijnde minder dan 5%).

Hoewel drie landen betrokken zijn, blijven de in Luxemburg verrichte arbeidsprestaties marginaal en worden zij daarom in deze analyse buiten beschouwing gelaten.

3. Toepasselijke wetgeving en het begrip substantiële activiteit (25%)

Verordening 883/2004 maakt een onderscheid naargelang de werknemer werkt:

  • Voor één werkgever:
    • verricht de werknemer een substantiële activiteit in de woonstaat (≥ 25%), dan is de wetgeving van die staat van toepassing;
    • zo niet, geldt de wetgeving van de zetel van de werkgever.
  • Voor meerdere werkgevers:
    •  de verdeling hangt af van het substantiële karakter van de activiteit in de woonstaat en van de locatie van de werkgevers.
    • Een activiteit is substantieel wanneer zij minstens 25% van de arbeidstijd en/of de vergoeding vertegenwoordigt.

De kwalificatie als substantiële activiteit (≥ 25%) is doorslaggevend, aangezien zij kan leiden tot een wijziging van de toepasselijke socialezekerheidswetgeving, met belangrijke gevolgen op het vlak van socialezekerheidsbijdragen, kosten voor de werkgever en administratieve verplichtingen.

Voorbeeld: een werknemer die in België woont en tewerkgesteld is door een onderneming gevestigd in Frankrijk, verricht 45% van zijn arbeidstijd in België, 5% in Luxemburg en 50% in Frankrijk voor dezelfde werkgever. Hij zal aan de Belgische sociale zekerheid onderworpen worden, omdat hij er woont en er een substantieel deel van zijn arbeidstijd presteert.

Voorbeeld: Echter, indien dezelfde werknemer slechts 20% van zijn arbeidstijd in België zou presteren, wordt hij niet langer geacht een substantiële activiteit in zijn woonstaat uit te oefenen en valt hij daardoor onder de Franse wetgeving, als zijnde de Staat waar de werkgever is gevestigd.

4. Het Moguntia-Arrest

Tot op heden neutraliseerden verschillende autoriteiten — waaronder de RSZ — de activiteiten in derde landen (buiten EER/Zwitserland). In de praktijk werden deze activiteiten genegeerd en werden de percentages enkel berekend op basis van “Europese activiteiten”.

Het Moguntia-arrest brengt een belangrijke wijziging met zich mee: loonactiviteiten in een derde land moeten verplicht worden meegenomen in de globale beoordeling wanneer zij intrinsiek verbonden zijn met activiteiten binnen de EER/Zwitserland. Een neutralisatie is dus niet langer mogelijk.

Het Hof legt de nadruk op een strikte lezing van Verordening 987/2009, die vereist dat rekening wordt gehouden met alle beroepsactiviteiten in een “algemene beoordeling”.

Het arrest sluit aan bij de vaste rechtspraak die vereist dat, om te bepalen welke socialezekerheidswetgeving van toepassing is, volledig rekening moet worden gehouden met de werkelijke situatie van de werknemer en met alle activiteiten die hij uitoefent. Het Hof benadrukt bovendien de bewoordingen van artikel 14(8) van Verordening 987/2009, dat verwijst naar ‘alle’ activiteiten van de werknemer als onderdeel van een ‘algemene beoordeling’ van zijn situatie. Volgens het Hof zou het niet in aanmerking nemen van de volledige situatie neerkomen op het creëren van een juridische fictie die losstaat van de praktische realiteit.

Voorbeeld: In een situatie waarin een werknemer in België woont en tewerkgesteld is door een onderneming gevestigd in Frankrijk, 20% van zijn arbeidstijd in België, 60% in Frankrijk en 20% in de Verenigde Staten presteerde, beschouwde de RSZ dat de werknemer werd tewerkgesteld volgens een 25% / 75%-verdeling binnen de EER/Zwitserland — waarbij de in de Verenigde Staten verrichte arbeid werd genegeerd. De werknemer viel dus onder de Belgische sociale zekerheid, aangezien hij er woont en er een substantieel deel van zijn arbeidstijd presteert (≥ 25%).

Het arrest vereist voortaan om de arbeidsprestaties in derde landen mee in de totale berekening op te nemen, waardoor er geen substantiële activiteit meer in de woonstaat overblijft (≤ 25%). Dit leidt tot een toepassing van de wetgeving van de staat waar de werkgever gevestigd is, namelijk Frankrijk.

5. Gevolgen voor de Belgische praktijk en het Telewerk Kaderakkoord

Tot voor kort hield de RSZ enkel rekening met de percentages binnen de EER/Zwitserland. Dit is niet langer toegestaan.

Het arrest heeft directe impact op het Kaderakkoord inzake telewerk (2023), dat streeft naar een stabilisatie bij structurele grensoverschrijdende telewerksituaties voor werknemers die:

  • voor een werkgever in een andere Staat werken;
  • regelmatig telewerken vanuit hun woonstaat.

Het akkoord laat toe dat de wetgeving van het land van de werkgever behouden blijft, zelfs wanneer het telewerk 25% overschrijdt, op voorwaarde dat:

  • telewerk in de woonstaat niet meer dan 50% bedraagt;
  • de situatie strikt bilateraal blijft, en dat het werk uitsluitend wordt verricht in twee ondertekenende staten van het Kaderakkoord: de woonstaat van de werknemer en de staat van de werkgever.

Het arrest Moguntia vereist voortaan dat alle in een derde land verrichte activiteiten worden meegeteld. Dit betekent dat een werknemer die regelmatig loonarbeid uitoefent in een derde land waarbij die activiteiten intrinsiek verbonden zijn met zijn gelijktijdige tewerkstelling binnen de EER/Zwitserland, deze werknemer niet langer onder het Kaderakkoord valt, aangezien de prestaties dan in meer dan twee landen worden verricht. Alleen marginale activiteiten in derde landen zouden nog kunnen toelaten dat het akkoord wordt toegepast.

Voorbeeld: Een werknemer presteerde 40% van zijn arbeidstijd in België via telewerk, 50% in Frankrijk waar de werkgever is gevestigd, en 10% in de Verenigde Staten, in het kader van dezelfde tewerkstelling bij zijn werkgever.

Vóór het arrest Moguntia werden deze prestaties buiten de EER/Zwitserland door de RSZ geneutraliseerd en werd de situatie als strikt bilateraal beschouwd. Het Kaderakkoord kon dus worden toegepast en de werknemer bleef onderworpen aan de Franse sociale zekerheid.

Door het arrest Moguntia voldoet deze situatie echter niet langer aan de voorwaarde van “bilateraliteit”. De RSZ zal de toepassing van het Kaderakkoord voortaan niet meer aanvaarden. In dit voorbeeld valt de werknemer terug op de “basisregels” en is hij dus opnieuw onderworpen aan de Belgische socialezekerheidswetgeving (zijn woonstaat), aangezien hij daar een substantieel deel van zijn arbeidstijd presteert (≥ 25%).

Tot op heden hebben de andere autoriteiten van de ondertekenende lidstaten hun standpunt nog niet meegedeeld, maar zij zullen het Kaderakkoord naar alle waarschijnlijkheid in dezelfde zin interpreteren.

Conclusie

Het Moguntia arrest toont een duidelijke evolutie in de rechtspraak van het Hof van Justitie: elke analyse van de toepasselijke socialezekerheidswetgeving bij gelijktijdige tewerkstelling moet de volledige professionele realiteit van de werknemer getrouw weerspiegelen, zonder kunstmatige uitsluiting van activiteiten die buiten de EER/Zwitserland worden verricht.

Deze beslissing brengt een belangrijke aanpassing van de administratieve praktijk met zich mee:

  • het einde van de neutralisatie van activiteiten in derde landen;
  • het systematisch in aanmerking nemen van 100% van de werkelijke activiteit van de werknemer;
  • een de facto beperking van het toepassingsgebied van het Kaderakkoord inzake telewerk, dat voortaan niet langer kan worden toegepast op werknemers die regelmatige loonarbeid in een derde land verrichten.

Deze evoluties verplichten werkgevers om hun organisatie‑ en internationale arbeidsregelingen grondig te herevalueren, aangezien deze regels aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor de bepaling van de toepasselijke socialezekerheidswetgeving.

Regelmatige opdrachten in derde landen, voor zover zij een gebruikelijke en wezenlijke activiteit binnen de globale tewerkstelling van de werknemer vormen, kunnen op zichzelf volstaan om de toepassing van het Kaderakkoord uit te sluiten en kunnen belangrijke gevolgen hebben voor de bepaling van de toepasselijke socialezekerheidswetgeving.