Meer dan een fiscaal verhaal
Hoewel managementvennootschappen vandaag bijna uitsluitend vanuit fiscaal oogpunt worden benaderd, vormen zij ook een bijzondere manier om een professionele samenwerking te organiseren. Naast de vraag naar de fiscale behandeling van de inkomsten kunnen zij immers ook vragen doen rijzen over het statuut van de persoon die de prestaties verricht.
In veel gevallen beantwoorden managementvennootschappen aan legitieme behoeften op het vlak van de structurering van activiteiten, governance of het beheer van ondernemingsrisico's. Zij maken het bovendien mogelijk om bepaalde functies uit te oefenen via een eigen structuur en bieden, wanneer de samenwerking daadwerkelijk op zelfstandige wijze wordt georganiseerd, meer flexibiliteit evenals een ander, en vaak gunstiger, juridisch en sociaal kader dan dat van werknemers.
Net omdat de sociaalrechtelijke en fiscale gevolgen aanzienlijk verschillen tussen arbeid in loondienst en zelfstandige arbeid, blijven de vragen inzake kwalificatie en schijnzelfstandigheid, waarmee situaties worden bedoeld waarin een samenwerking die als zelfstandig wordt voorgesteld in werkelijkheid wordt uitgeoefend onder een gezagsverhouding, relevant.
Bij een managementvennootschap verloopt deze analyse doorgaans anders dan wanneer een natuurlijke persoon rechtstreeks als zelfstandige prestaties verricht. De contractuele relatie wordt in principe gesloten met de vennootschap. Aangezien een vennootschap per definitie niet door een arbeidsovereenkomst kan zijn verbonden, is het vertrekpunt van de analyse anders dan bij een samenwerking die rechtstreeks met een natuurlijke persoon wordt aangegaan.
Dat betekent echter niet dat de aanwezigheid van een managementvennootschap elke discussie uitsluit. Wanneer uit de feitelijke samenwerking blijkt dat er in werkelijkheid sprake is van een rechtstreekse band van ondergeschiktheid tussen de opdrachtgever en de persoon die de prestaties uitvoert en de samenwerking niet overeenstemt met de afgesloten zelfstandige samenwerkingsovereenkomst, kunnen de autoriteiten voorbij de vennootschap kijken en rekening houden met de concrete realiteit van de relatie.
Indien de relatie wordt geherkwalificeerd wegens het bestaan van een feitelijke gezagsverhouding, kunnen de gevolgen aanzienlijk zijn, met name op fiscaal en sociaal vlak. In dat verband kan het aangewezen zijn om in de overeenkomsten die met managementvennootschappen worden gesloten contractuele mechanismen op te nemen die ertoe strekken om, in voorkomend geval, de financiële gevolgen geheel of gedeeltelijk ten laste te leggen van de bestuurder of van de managementvennootschap zelf. Een dergelijke contractuele risicoverdeling is evenwel niet mogelijk in het kader van een zelfstandige samenwerking met een natuurlijke persoon.
Sommige situaties die zich in de praktijk voordoen, kunnen bijkomende vragen oproepen.
Men denke bijvoorbeeld aan de situatie waarin een werknemer een einde maakt aan zijn arbeidsovereenkomst om vervolgens, via een managementvennootschap, gelijkaardige activiteiten voor dezelfde onderneming uit te oefenen als zelfstandige. Wanneer de nieuwe samenwerking grotendeels aansluit bij de vroegere arbeidsrelatie en de wijze waarop de prestaties worden uitgevoerd in de praktijk weinig verandert, kunnen vragen rijzen over de werkelijke kwalificatie van de relatie tussen de partijen.
Het gebruik van een managementvennootschap vermindert dit type risico doorgaans, zonder het evenwel volledig uit te sluiten. Hoe sterker de samenwerking aansluit bij de vroegere arbeidsrelatie en hoe minder de concrete modaliteiten ervan wijzigen, des te meer vragen kunnen vanzelfsprekend rijzen over de kwalificatie ervan.
Het is immers belangrijk dat de samenwerking wordt georganiseerd en uitgevoerd op een wijze die coherent is met haar zelfstandige karakter. Het ontbreken van een gezagsverhouding blijft daarbij een centraal element van de analyse, met name vanuit het oogpunt van de vrijheid om de arbeidstijd te organiseren, de vrijheid om het werk te organiseren en het eventuele bestaan van hiërarchisch toezicht. De beoordeling steunt hierbij op een geheel van aanwijzingen, waarbij geen enkel element op zichzelf doorslaggevend is. Tot de elementen die in aanmerking kunnen worden genomen behoren onder meer:
- het behoud van gelijkaardige functies;
- het aantal klanten waarvoor effectief wordt gewerkt;
- de mate van autonomie bij de organisatie van het werk;
- de integratie in de organisatie van de opdrachtgever;
- het bestaan van een reëel ondernemingsrisico.
De beoordeling blijft noodzakelijkerwijs feitelijk en dient geval per geval te worden uitgevoerd.